In 2008 had ik me in de nesten gewerkt. Voor m’n neus lagen drie arbeidscontracten en ik moest kiezen. Welke baan zou het worden? Welke sprong zou ik wagen? Ik wist het niet en voelde me bezwaard omdat ik het zover had laten komen.
Dat zat zo. Ik werkte als organisatieadviseur bij een gemeentelijke organisatie. Ik begon enthousiast, maar al gauw ontdekte ik dat het hele managementteam onder druk stond van de gemeentesecretaris. Deze vrouw hield iedereen onder de duim met haar felle kritiek en denigrerende houding. Mijn opdracht aan het MT was een plan van aanpak voor een reorganisatie. Nu was ik aan de beurt: ik heb nog nooit zoveel rode strepen in een plan zien staan. Volgens haar was ik incapabel en dus gaf ze de opdracht aan mijn leidinggevende, die eerst trots was, maar toen zij een paar weken later minstens zoveel kritiek kreeg, kromp haar ego. Voor mij was het duidelijk: onder deze vrouwen zou ik niet tot bloei komen. De vraag was alleen, wat zou ik doen? Eerst nieuwe schoenen kopen, of deze pijnlijke stappers uitschoppen en op blote voeten verder?
Met steun in de rug van Aarnout, schreef ik mijn ontslagbrief en diende die nog wel een beetje onzeker in. Vrij snel daarna voelde ik de kracht van deze daad van eigenwaarde. Nu de stress eraf was en het avontuur lonkte, kon ik weer diep ademhalen. Toen pas realiseerde ik me hoe vast ik zat, ook al werkte ik er nog geen half jaar. Ik was zo blij dat ik de beslissing had genomen. Ik had er huizenhoog tegenop gezien, durfde het niet omdat ik bang was (dat ik de hypotheek niet mee kon betalen en dat soort dingen). Maar eenmaal over de brug, voelde ik aan alles dat dit het juiste besluit was.
En daar ging ik, op mijn eigen pad. De ene leuke baan, na de andere deed zich voor. Ik schreef geïnspireerde brieven en voelde me op m’n gemak in sollicitatiegesprekken. Met mijn bevrijde energie, was ik niet te stuiten van enthousiasme. Anderen voelden dat ook. Ik werd benaderd voor allerlei tijdelijke klussen (‘als je toch nog niks hebt te doen, kun je mooi helpen met deze training’). En zo werkte ik mezelf enthousiast in de nesten: drie arbeidscontracten en een portefeuille met tijdelijke opdrachten. Aarnout stond erbij en keek ernaar. Ook dit keer wist hij wat ik had te doen, maar deelde het niet met mij. Deze sprong moest ik zelf wagen.
Dat werd een paar dagen zweten en een paar nachten woelen. Ik vond alles leuk en wilde niemand teleurstellen. Toen dacht ik nog dat ik met plussen en minnen eruit kon komen, dat ik een hiërarchie kon ontdekken in het aanbod voor mijn neus. Hoe harder ik nadacht en puzzelde, hoe moeilijker het werd. Ik kreeg er een punthoofd van. Op dat moment liet ik het los. Het was vrijdagmiddag, schonk een kopje thee in en keek nog eens naar de papieren op tafel. Wat zou liefde doen, zo ging het door me heen, en ik staarde naar buiten. Even later riep ik Aarnout en zei ‘ik ben eruit’. ‘Ik wil het liefste de tijdelijke opdrachten doen en onderzoeken of ik in vrijheid kan groeien’. ‘Dan pak je nu je fiets en schrijf je je in bij de Kamer van Koophandel’, zei Aarnout. En zo geschiedde.
Tja, hoe weet je nu of je de sprong moet wagen? Ik heb ervaren en geleerd dat er diep van binnen een soort ordening aanwezig is. Dat je door stil te zijn, weet wat er op dat moment aan de orde is voor jou. Zo’n besluit is helder en wordt omringd door kalmte. Zodra je het besluit naar buiten brengt, is het alsof anderen het ook vanzelfsprekend vinden. Wat klopt voor jou, is vrij van strijd. Je hoeft niemand te overtuigen, je hoeft niks te bewijzen. Het is niet eens meer een sprong, maar louter overgave.


